Diegemse steen
Diegem was eeuwenlang bekend om zijn steengroeven en zandputten, vooral in het noordoosten en het zuiden van de gemeente en bij het station. Op de hogere delen ligt de ondergrond van zand, zandsteen en grind bloot. De steen ging over de Broekstraat naar de Diegemse Ham, een kleine aanlegplaats aan de Zenne tussen Haren en Machelen, en werd van daar verscheept.
In 1844 schreef de gemeentesecretaris dat de steengroeven 'een echte welvaart' betekenden: zomer en winter werkten er veel arbeiders, en in de winter brachten de boeren met hun paarden dijksteen naar het kanaal. In de jaren 1930 vermeldde Eugeen De Seyn nog de groeven van dijk- en bouwsteen, vooral voor funderingen. In 1980 baatten de gebroeders De Kempeneer nog zand- en steengroeven uit aan weerszijden van de Haachtsesteenweg, bij het binnenkomen van het dorp vanuit Haren.
Wat de bodem prijsgaf
Het graven bracht heel wat vondsten aan het licht. Haaientanden, schelpen, mammoetslagtanden en krabbenresten herinneren aan de tijd, zo'n 60 miljoen jaar geleden, toen hier een strand lag. Rond 1810 werden een veertigtal munten van Lodewijk de Vrome gevonden, geslagen in Melle in Poitou. Oudheidkundigen vermeldden ook stenen bijlen uit de jonge steentijd, waaronder een gepolijste vuistbijl in jade die al in 1784 in de steengroeve bij de Lomolen werd gevonden.
In 1948 stootte Karel De Kempeneer in zijn zandgroeve, tussen de Haachtsesteenweg en de spoorlijn Brussel-Luik, op een Gallo-Romeins graf. Bij de opgravingen van J. Mertens in mei 1950 kwamen drie witte kruikjes, een tasje, een schoteltje in terra sigillata uit Oost-Gallië en twee spinsteentjes boven, naast resten van verbrande beenderen. Het ging om een crematiegrafveld uit het einde van de 2de en het begin van de 3de eeuw, langs een Romeinse weg van Elewijt naar het zuiden.
Een paar honderd meter verder was eerder al een Merovingische urne gevonden, een zogenaamde Knicktopf uit de 7de eeuw met een versiering van radstempeltjes; zulke potten zijn zeldzaam in onze streken. In 1970 vonden de gebroeders De Kempeneer nog een bol in grijze zandsteen, en rond dezelfde tijd stootten arbeiders bij werken in de kartonfabriek De Coninck op een graf met een krijger en zijn paard. De eigenaar hoorde daar pas te laat van.
Steenpoelen
Al in 1280 is sprake van ‘steenpoelen’ in Diegem. Op zo'n drie meter diepte zat een laag kalkhoudende zandsteen, die met de hand werd losgekapt. De arbeiders stonden vaak tot hun middel in het water en dronken jenever om warm te blijven. Meestal ging het om kleine groeven: een eigenaar liet een perceel ‘uitpoelen’, en daarna moest het land weer vlak gemaakt worden voor de ploeg. In 1475 telde men op één dagwand aan de Waaienberg 43 kuilen.
De steen was gegeerd. Op 17 juni 1384 bepaalde het Brusselse stadsbestuur dat de kalkovens bij voorkeur steen uit Evere en Diegem moesten gebruiken, die als de beste gold en duurder werd verkocht. De harde steen ging naar kerken en huizen, de zachte naar funderingen en muren, en veel steen werd via de Diegemse Ham op de Zenne en later het kanaal van Willebroek verscheept voor de dijken van Holland en Zeeland. In 1506 kwamen ontelbare wagens steen uit Diegem en Melsbroek naar Vilvoorde voor de toren van het kasteel, en ook Brugge haalde in de 15de eeuw kasseistenen uit Diegem.
In de winter van 1855-1856 liet de gemeente werkloze arbeiders steen uithalen onder de wegen, om er straten mee te kasseien. In 1863 mocht Jaak Willox steenovens bouwen. Op de Lo werd de laatste groeve in 1914 uitgebaat; in 1930 waren er in Diegem zelf nog twee. Aan de Haachtsesteenweg, aan de kant van Haren, werkten de zandgroeven van de gebroeders De Kempeneer nog lang daarna.