De naam Diegem
De naam komt in de bronnen in vele vormen voor: Dydenghem (1223), Diedenghem (1253), Diedeghem (1259), Didenghem (1269), Dyedegem (1390-1424), Dyeghem (1479), Dieghem (1587), Digum (1652), Diegom (1690-1691), Diegum (1700) en Dighem (1759). De huidige schrijfwijze Diegem is pas sinds 1937 in gebruik.
Wat de naam betekent, is niet zeker. Lang dacht men aan de woonplaats van een Frank met een naam als Dido, Theodo of Thiuda. Een andere verklaring ziet in 'did' een oud Indo-Europees woord voor moeras, zoals in de plaatsnaam Didisheim. Diegem zou dan 'de woonplaats bij het moeras' zijn, wat goed past bij de natte Woluwevallei, met namen als Diegembroek, Broekstraat en Broekmolen.
Vroegste sporen
Rond 1810 werden een veertigtal munten met de beeltenis van Lodewijk de Vrome gevonden. In 1948 stootte Karel De Kempeneer in zijn zandgroeve op een Gallo-Romeins graf; de opgravingen van J. Mertens in mei 1950 brachten een grafveld met crematiegraven uit het einde van de 2de en het begin van de 3de eeuw aan het licht. In 1972 vonden arbeiders bij de afbraak van de kartonfabriek De Coninck een graf met een Frankische krijger en zijn paard; dat graf werd niet wetenschappelijk onderzocht.
De eerste woonkernen
De oudste bewoning lag rond de Voorde, de oversteekplaats over de Woluwe, en later bij kasteel en kerk. Aan weerszijden van de Voorde lagen twee hoven: Cuddegem, het latere kasteel De Reine, en Diedegem, met de burcht van de heren van Diegem. In het zuiden lag Nijpezele, waaruit later Diegem-Lo groeide. Cuddegem, Nijpezele en het Hof ten Bossche hoorden bij de heerlijkheid Wezembeek.
Bestuurlijk hoorde Diegem bij de meierij Vilvoorde in het hertogdom Brabant. Als parochie viel het tot 1559 onder het bisdom Kamerijk en daarna onder het aartsbisdom Mechelen; vanaf 1873 hoorde het bij de dekenij Zaventem.
Kornelimünster en Sint-Cornelius
Waarschijnlijk kwam Diegem al in de 9de eeuw, via een schenking van de keizer, in handen van de abdij van Kornelimünster bij Aken. Een akte daarvan is niet bewaard, maar de verering van Sint-Cornelius – de patroon van die abdij – wijst sterk in die richting. Een eerste kerk wordt in 1379 vermeld. Tussen 1273 en 1280 verkocht de verarmde abdij haar inkomsten rond Brussel, maar ze behield de tienden; die gingen in 1749 over naar de abdij van Heylissem.
De heren van Diegem
In 1265 wordt Giselbert van Didenghem vermeld, leenman van de heer van Perk. Rond 1384 bracht Margareta van Diedeghem de heerlijkheid aan Jan van Brecht, uit een Brussels patriciërsgeslacht. Karel van Brecht (1518-1595), in 1559 en 1561 burgemeester van Brussel, kocht in 1558 de hoge, middelbare en lage rechtsmacht over Diegem. Via zijn dochter Gertrudis ging Diegem naar de familie Oudart; Catharina Oudart († 1629) huwde met Filips Happart.
Jan Antoon Happart verkocht de heerlijkheid in 1756-1757 aan Pieter Albert Piermans, die in 1757 baron werd; op 28 april 1763 werd Diegem tot baronie verheven. Daarna volgden onder meer de families de Lanfranchy en Le Boucq de Beaudignies. In 1902 kocht August Ulric Marga het kasteel.
Zegel en wapen
Op 13 september 1507 kreeg Diegem een eigen schepenzegel. Het toonde een leeuw; in 1902 kwam daar Sint-Cornelius bij, die het schild vasthoudt. Zo ontstond het wapen dat Diegem tot de fusie gebruikte.