Ten Bossche, in het Latijn apud buscum, was oorspronkelijk een bosrijk gebied aan de overkant van de Woluwe tegenover Nijpezele. Er lag een hof, het Hof ten Bossche, een leen van de heerlijkheid Wezembeek, bij het begin van de huidige Pachthofstraat, waar nu de spoorwegdoorgang naar de industriezone is. De watermolen op de Hollebeek ernaast heette de molen ten Bossche, en de brug over de Woluwe de Boschbrugge.
Het hof wisselde vaak van eigenaar: in 1429 Margaretha vanden Berghe, in 1543 François vander Stock, rond 1606 Gillis de Smet, later de familie Spira en in 1674 Jan vander Beken. Op latere kaarten heet het de hoeve de Domijn. In 1835 was het van de weduwe Jacques Anneet. Rond 1908 heette het ‘Les Buissons’; in 1933 werd het afgebroken voor de aanleg van de Woluwelaan.
De molen van de begijnen van Steenvoort
De molen ten Bossche lag iets verder, aan de Hollebeek. Hij behoorde wellicht van de 13de tot het midden van de 15de eeuw toe aan het begijnhof van Steenvoort, dat in 1239 werd gesticht op de grens met Vilvoorde en in 1578 werd afgebroken om de stad beter te kunnen verdedigen. In de bronnen heet hij dan ook ‘de molen van de begijnen van Steenvoort te Nijpezele’. Later volgden private eigenaars, zoals Jan de Vaddere (1457), en in 1677 was Adam de Smet er molenaar.
De molen van Jacobs
Iets stroomafwaarts van de Duivenmolen stond nog een molen, van de Brusselse familie Jacobs, vermeld in 1607 en 1626. De papierfabrikant Foppens baatte hem samen met zijn eigen papiermolen als één bedrijf uit, en in 1726 kwam hij in handen van Pieter Jan Bauwens. Leden van de familie Jacobs bleven in Diegem actief als papiermakers en olieslagers. Op 7 oktober 1783 vroeg de leverancier van olie en kaarsen voor de keizerlijke troepen om een boete van Jacobs kwijt te schelden: zijn oliemolen had op zondag gedraaid, maar dat was nodig om de garnizoenen van licht te voorzien.
De Broek- of Brachmolen
De Broekmolen stond naast het Langbroek. Hij was eerst een graanmolen en werd in de 15de eeuw een papiermolen. Hij bestond al in 1370: in zijn testament van dat jaar wilde Wouter van Diedeghem begraven worden in de abdij van Kortenberg, en hij liet renten na aan die abdij en aan de Kleine Kanunniken van Sint-Goedele in Brussel, die samen de Broekmolen bezaten. In 1611 stonden zij hem af aan Lancelot de Pretere. De molen lag toen in puin en werd in 1624 herbouwd.
In 1625 en 1669 spreken de bronnen van een kruitmolen. In 1636 kreeg eigenaar Johan Jourdain, secretaris van de Raad van Brabant, de toelating om de papier- en oliemolen om te bouwen. Rond 1900 sloeg August Mommaerts, broer van Judocus van de Duivenmolen, er nog olie. Daarna kwam er een leerlooierij en pelsenmakerij, die rond 1930 werd onteigend voor de overwelving van de Woluwe.