De Hofmolen
Aan de Voorde, waar de Hollebeek en de Woluwe samenkomen, stond de Hofmolen, zo genoemd omdat hij afhing van het oude hof van Diegem. Op 18 augustus 1338 betaalde Ghislenus Taye er cijns voor; later volgden andere leden van de familie Taye. In 1394 hoorde de molen aan ridder Jan van Diedeghem, heer van Diegem, en werkte er Jan de Cuypere als slagmolenaar.
Op 20 juli 1411 sloot Jan die Hertoge van Diedegem een overeenkomst met de rentmeester van de hertog van Brabant: hij mocht onder meer twee goten aanleggen om water uit de Woluwe naar zijn gracht te leiden, en een hek zetten op de straat naar zijn molen, op voorwaarde dat het open bleef zodat iedereen er vrij door kon. Hij liet een molenhuis bouwen en maakte in 1439 van de slagmolen een mout- en korenmolen.
In 1478 was Hendrick van Ertynghen, waard van de herberg Het Rode Schild in Brussel, eigenaar van de Hofmolen en van de nabijgelegen Poeselmolen. Omdat beide molens elkaar hinderden, door verzanding en opstuwing van het water, mocht hij in 1479 de Poeselmolen afbreken en verder stroomafwaarts als papiermolen weer opbouwen. In 1497 kreeg hij de toelating om ook op de Hofmolen papier te maken.
Henry de la Gruse
In de 16de eeuw kwam de molen in handen van Henry de la Gruse, de leider van de calvinisten in de streek van Diegem, Melsbroek en Machelen. Hij speelde een hoofdrol in de molenoorlog met Vilvoorde. Op 13 september 1568 verbande de Raad van Beroerten hem; zijn huis, boomgaard, korenwatermolen en landerijen werden in beslag genomen en openbaar verkocht.
De Grooten Molen
Op het einde van de 16de eeuw verdwijnt de naam Hofmolen uit de bronnen. In 1748 duikt een nieuwe naam op: den Grooten Molen binnen Dieghem, ook zo vermeld op de Ferrariskaart van 1777. In de eerste helft van de 19de eeuw was graanmolenaar Petrus Moonens eigenaar, daarna zijn weduwe Elisabeth Stuckens, die in 1860 overleed. Vanaf 1864 baatte Jan Frans De Bontridder de molen uit.
In 1902 verkocht de familie De Bontridder de molen aan August Ulric Marga, de nieuwe bewoner van het kasteel. Hij gebruikte het waterrad om stroom op te wekken voor zijn patronenfabriek, en via een dikke kabel ook voor de zaal Refragor aan de Haachtsesteenweg, waar de eerste filmvoorstellingen van Diegem plaatsvonden. Kort daarna verdween de molen.