Een verslag uit 1844
In februari 1844 beschreef de gemeentesecretaris zijn dorp in een verslag aan de arrondissementscommissaris. Diegem besloeg 532 hectare in de vallei van de Woluwe, op driekwart mijl van Brussel. Ongeveer acht op tien inwoners (1.052 mensen) woonden in de kern, de anderen op de Lo. Het dorp werd doorsneden door de baan Brussel-Haacht en door een weg die deze baan met de baan Brussel-Leuven verbond.
De boeren teelden tarwe, rogge, gerst, haver en aardappelen; op de stenige grond meer rogge dan tarwe. Naast de landbouw leefden de Diegemnaars van de steengroeven. Er was een papierfabriek met ongeveer 60 arbeiders en er draaiden 8 molens: 6 watermolens en 2 windmolens. Er waren twee lagere scholen, één voor jongens en één voor meisjes, maar veel jongens gingen al vroeg in de fabriek of op het land werken. De inwoners waren streng katholiek en spraken uitsluitend Vlaams, al schreef de secretaris zijn verslag in het Frans.
Het water was niet overal zuiver, behalve dat van de Sint-Cornelisborre. De voorbije winter had er tyfus geheerst, zonder doden. Op de hoger gelegen Lo, schreef de secretaris, werd men minder ziek en zelfs ouder dan in de vallei. Het enige opvallende in het dorp was volgens hem de kerktoren.
In de jaren 1930
Bijna een eeuw later beschreef Eugeen De Seyn Diegem als een gemeente van 547 hectare tussen twee hoogvlakten, op 8,5 km van Brussel, met golvende zand-, klei- en kalkgrond. Hij noemde de steengroeven, de landbouw, de suikerij- en papierfabrieken en de bloem- en boomkwekerijen, het kasteel met zijn 15de-eeuws poortgebouw en de kerk met haar renaissancealtaren, preekstoel van 1687 en grafsteen van Karel van Brecht. Diegem was een druk bezocht bedevaartsoord voor Sint-Cornelius, en op de Lo stond een moderne kerk uit 1930.