HomeKerk & bedevaart

Kerk & bedevaart

Pastoors, kosters en suisses

Wie de parochie diende: de verdeling van de tienden, kleurrijke pastoors, een koster die dansles gaf en de suisse.

Tot in de 17de eeuw verdeelden drie partijen de tienden van Diegem: de abdij van Kornelimünster kreeg de helft, een ‘persona’ een derde en de pastoor ter plaatse slechts een zesde. De persona was een titularis die niet in Diegem hoefde te wonen, maar wel de pastoor voordroeg. In 1605 werd beslist het personaat bij de parochie te voegen, maar dat ging pas in bij de dood van de laatste persona, Jan Bruloot, kanunnik van Sint-Goedele, op 15 januari 1643. Daarna kreeg de pastoor een derde. Pastoor Van Langendonck won in 1707 na een proces van acht jaar nog een jaarlijkse toeslag van 125 gulden van de abdij.

Enkele pastoors

De eerste bekende pastoor is Walterus de Vroede (1395). Bernaert van Woluwe, die in 1565 stierf, was ook boogschutter: in zijn testament liet hij de heer van Diegem een Friese bijl, zijn beste handboog, zes pijlen en de pijlkoker na. Na de brand van de pastorie in 1574 woonden de pastoors zestig jaar lang op het kasteel. Augustinus Beelden (1625-1639) verzorgde zijn parochianen tijdens de pest. Joannes vander Eycken (1639-1684) gaf Diegem zijn altaren en de torenspits; onder hem bereikte de bedevaart haar hoogtepunt. Joannes van Langendonck bleef 55 jaar pastoor en stierf in 1739 op 88-jarige leeftijd; hij liet de preekstoel en de lambrisering maken.

Joannes Hanset (1743-1774) legde een nieuw register aan en noteerde daarin ook zijn tonnen bier van een Leuvense brouwer. Remigius Forneville (1774-1798) bouwde de sacristie, het ‘kippenhok’ en het hoogzaal met het orgel. Tijdens de Franse bezetting moest de priester Croons zich verbergen en las hij in het geheim de mis op het kasteel van Cuddegem. Joannes Josephus Veulemans was meer dan vijftig jaar pastoor (1827-1879) en bouwde de huidige pastorie. Carolus Ketelbant (1879-1896) bracht het katholiek onderwijs op gang, en Henricus Meeus (1896-1916) bouwde in 1905 het Gildenhuis.

De koster

De eerste bekende koster is Henrick de Dumo (1382). De koster was meestal ook organist, schoolmeester en rekenplichtige van de armentafel. Toen Gillis Henricx in 1664 werd aangesteld, moest hij de pastoor gehoorzamen, de kerk proper houden en herbergen en slecht gezelschap mijden; als organist kreeg hij 60 gulden en zes sister koren, en zijn school hield hij in het Heilige-Geesthuis. Niet iedereen was een voorbeeld: in 1575 hield koster Jan vander Schueren van een pint, en in 1594 verwaarloosde Johannes Hallemans zelfs zijn school.

Carel Broes, koster vanaf 1709, was ook muzikant en gaf dansles, wat de parochiebestuurders niet beviel. Om zijn benoeming niet te verliezen beloofde hij een boete van 25 gulden voor de armen de eerste keer dat hij op een feest viool of bas speelde of iemand leerde dansen, 50 de tweede keer en 100 de derde; zijn vader stond borg. Een reglement van na 1818 verbood de koster een herberg te houden of in zijn huis te laten dansen, en droeg hem op het doopwater in de winter warm te maken en de geofferde kippen te voederen. De laatste koster van Diegem was Jan Lodewijk Michils, die in 1969 overleed.

De suisse

Vanaf 1858 hield een ‘suisse’ of kerkbaljuw de orde tijdens de diensten en processies. Melchior Hauwaert was de eerste, voor 100 frank per jaar. Hij droeg een tuniek met gouden boorden, een zwarte broek met rode bies, een steek en een lange stok met vergulde punt. De kleurrijkste was Marinus Van Daele (1884-1909); de laatste, Frans ‘Max’ Keuten, die ook klokkenluider was, bleef wellicht tot 1929.

Meedoen

Een foto, een anekdote, een herinnering aan Diegem?

Help het geheugen van het dorp te bewaren. Alle hulp is welkom: prentkaarten, familiefoto's, verhalen, data of namen die ontbreken.

De knop opent uw e-mailprogramma naar diegemhistory@gmail.com.

Typ minstens 2 letters. Zoekt in alle pagina's en in de tijdlijn.

    Index van plekken en onderwerpen →