De Vondelmolen en het Neerhof
Bij het kasteel liep vroeger een losse houten brug of ‘vondel’ over de Woluwe, op de weg naar de kerk. Daar stond de Vondelmolen van de heren van Diegem. In de oorlog van 1488-1489, toen het leger van Maximiliaan van Oostenrijk Brabant verwoestte, ging hij verloren. De heer van Diegem liet de puinen liggen en bouwde omstreeks 1513 een nieuwe molen, iets stroomopwaarts, op het terrein van het Neerhof of Peltincx Hof aan de overkant van de Woluwe.
Een banmolen
De nieuwe molen heette de Cleyne Molen, wellicht om hem te onderscheiden van de Grooten Molen aan de Voorde. Met goedkeuring van de Rekenkamer werd hij een banmolen: de onderhorigen van de heer moesten er hun graan laten malen. In de 17de eeuw vinden we er molenaars als Cornelis Gillis (1639). In 1710 verhuurde heer Antoon Happart ‘den cleynen molen’ voor negen jaar aan Jan Herincx, voor 130 gulden per jaar.
De families Van Doren en Dekelver
Vanaf 1834 was de molen van Sebastiaan Van Doren, later van zijn zoon Jan Baptist (1818-1896), die in 1868 het binnenwerk liet vernieuwen voor vier koppel molenstenen, en daarna van Theodoor Van Doren. Een wegeltje naast het erf heette in de volksmond het ‘van Doornstraetje’. In 1918 brandde de molen af; een brandvrije deur redde de stallen. Frans Dekelver, die bij de familie Van Doren was opgegroeid, kocht hem in 1922 en bouwde hem weer op. Hij was burgemeester van Diegem van 1921 tot 1938.
Dekelver maakte van de oliemolen een walsenmolen. Van 1919 tot 1956 was het een loonmaalderij voor de boeren, en in de oorlog draaide de molen volop voor de voedselvoorziening. Het molenrad verdween al in 1937, toen de Woluwe werd overwelfd; daarna werkte men met mazout en in de oorlog met elektriciteit. Vanaf 1957 was het een industriële maalderij voor bakkersbloem. Na Frans (overleden in 1970) waren zijn zonen Walter en Filip de laatste molenaars. Op de gevel langs de Woluwelaan zie je nog de cementen plek waar het wiel draaide, en de oude stallen staan er nog.