Brand, plunderaars en legerkampen
Op de dinsdag na Pasen 1423 brak in Diegem een zware brand uit, en sommigen maakten van de verwarring gebruik om te stelen. In 1537 verleende keizer Karel de inwoners vermindering van oorlogsbijdragen wegens de schade door huurbenden. In 1542 trok de Gelderse krijgsheer Maarten van Rossem plunderend door Brabant; daarna lagen in Diegem nog jarenlang ‘plaetsen daer een huys op te staen plach’. In de tweede helft van de 17de eeuw kampeerden telkens legers op de Diegemse hoogvlakte, met tienduizenden soldaten; in 1690 zette de prins van Saksen een molenaar met zijn vrouw en acht kinderen gewoon aan de deur.
In september 1830 kampeerden 5.000 à 6.000 Hollandse soldaten onder de prins van Oranje in de Woluwevallei voor ze naar Brussel oprukten. Op 21 september vochten enkele Brusselaars en Luikse vrijwilligers niet ver van Evere tegen de Hollandse ruiterij, en op 27 september trok het verslagen leger via Diegem terug. De opeisingen kostten Diegem 4.193,91 frank. Voor feesten was daarna weinig geld: in 1837 gingen de septemberfeesten niet door en trokken de inwoners liever naar Brussel.
De Eerste Wereldoorlog
In 1914-1918 draaide alles om voedsel. In maart 1916 voerde de gemeente een aardappelkaart in: kinderen kregen 200 gram per dag, wie ouder was dan zeven 300 gram. Diegem trad toe tot een coöperatie van gemeentemagazijnen, en de gemeente opende een magazijn in het huis van Jan Vanhooff. Na de oorlog richtte de gemeente het monument voor de gesneuvelden op, en in 1930 trok een grote stoet door het dorp voor honderd jaar België.
De Tweede Wereldoorlog
Op 15 mei 1940 kwam een Brits officier melden dat de Duitsers de Dijle over waren; er stond al zwaar geschut opgesteld en de gemeente moest tegen middernacht ontruimd worden. Op 17 mei ’s avonds bezetten Duitse troepen Diegem, en al op 18 mei werkten de diensten weer. Na sabotage en schoten op een Duitse wachtpost in de nacht van 23 op 24 juli 1940 namen de Duitsers drie inwoners als gijzelaars. Op 5 september 1944 kondigde het gemeentebestuur op een aanplakbrief aan dat het de leiding weer in handen had, en riep het op plunderingen en mishandelingen te voorkomen.
Gesneuveld voor België
Zestien Diegemnaars sneuvelden in de twee wereldoorlogen: Frans Buekenhout, Ferdinand Campine, Victor De Ceuster, Lodewijk De Greef, Filip De Kleermaeker, Adolf Denon, Jan Baptist Dils, Jan Baptist Elaerts, Jan Baptist Jacobs, Jan Baptist Paulus, Camiel Vandensteen, Frans Vanhout, Lodewijk Van Keerberghen en Guillaume Willox in 1914-1918, en Gustaaf Michiels en Anthruan Vanderveken in 1940. Veel van hun namen leven voort als straatnamen. Na de oorlog kregen ook Eugène Blairon, die in een Duits concentratiekamp stierf, en Frans Gurickx, door de Gestapo doodgeschoten in Nossegem, een straat.